Mijn eerste baan in loondienst in Noorwegen was in de plaats Kyrksæterøra, zo’n twee uur rijden van Trondheim, waar ik een vaste betrekking vond bij een ramenfabriek. Voor deze baan hadden mijn vrouw en ik een eigen bedrijfje waarmee we, onder contract van de gemeente, een kleine horecaonderneming runden op een klein eilandje aan de westkust. In de zomer was het hard werken en goed verdienen maar de lange winters waren donker en brodeloos. Na twee seizoenen en een geweldige tijd besloten we toch aan het vasteland werk te zoeken.
Op het eiland leerden we de huidige directeur van de fabriek kennen en besloten gezamelijk dat wij bij hem zouden komen werken. Over dat eilandje en onze eerste ervaringen in Noorwegen schrijf ik nog eens een apart blog.
Maar goed, de Noorse fabriek. Ik moet eerst bekennen dat ik nog nooit eerder in een echte productiefabriek heb gewerkt. Toch trok het me wel aan. Dat was ook het plan. Carriere sluiten in Nederland en meer genieten van het leven in een land als Noorwegen. Het salaris viel me niet tegen. (De salarissen vallen zowieso niet tegen in Noorwegen). Met 37,5 uur werk per week, zonder kopzorgen, verdien ik ongeveer 2.000 Euro per maand, NETTO! Natuurlijk is Noorwegen prijzig maar met twee personen en daarmee een netto inkomen van 4.000 Euro per maand moet het toch heel gek lopen als je daar niet mee uitkomt. En omdat het een eenvoudige baan betreft, trek ik om 15.00 uur aan m’n stutten en ben ik m’n werk al vergeten als ik de buitendeur open doe.
Naast bovengenoemde voordelen zijn er natuurlijk ook nadelen aan fabriekswerk, hoewel je dat ook een leuke levenservaring kunt vinden. Een nadeel is dat het werk te verwachten eentonig kan zijn. Mijn laatste werkplek was de plaats waar vier raamdelen met een machine, veel lijm en ‘spikers’, in elkaar werden gezet. Ik heb dus heel wat uren lijm gesnoven en al snel begon ik de arme lijmsnuivertjes in de straten van Rio de Janeiro beter te begrijpen. Deze lijm kwam uit Nederland dus ik had er al direkt een band mee. De verlijmde stukken gingen in de machine die de vier delen aan elkaar perste. Na wat welgemikte pistoolschoten waren de losse raamdelen een trots raam geworden en we pakten de volgende delen. Eén raam is leuk maar bij raam honderd begint de verveling een beetje toe te slaan. Fabriekswerk. U kent dat wel.
Ik had een vaste collega, een man uit Polen. Nu staan Polen er bij mij om bekend dat het de meest harde werkers zijn die er op deze planeet rondlopen, na de langgestraften in de Siberische kwikmijnen dan. Zo niet deze Pool. Ik durfde hem nooit naar het Poolse woord voor ‘aardslui’ te vragen maar ik verdenk Polen ervan hem het land onder dwang te hebben uitgezet in verband met de devaluatie van de Zloty. Ik zal hem verder in het verhaal ‘Grzegorz’ noemen wat ‘wakend, oplettend‘ betekent. Hij is namelijk wakend en oplettend dat hij geen meter meer loopt dan absoluut noodzakelijk. Als er twee man een opdracht hebben en één van de twee heeft geen zin, dan is de andere het haasje. Ik heb verschillende manieren geprobeerd om hem te sturen. Vriendelijk verzoeken, dringend verzoeken, boos worden, dreigen, niets hielp. Ik ben er op een gegeven moment het komische maar van gaan inzien en ben wat rustiger gaan werken. Chefs werden boos op hem maar hadden nooit een cursus sociale vaardigheden van dichtbij gezien dus hij begreep er niets van. Arme Grzegorz.
Er werken ongeveer dertien nationaliteiten in de fabriek. Naast de Noren veel Polen, een aantal Roemenen, een Kosovaar, Oost Duitsers, Afghanen, Syriers en zelfs twee Nederlanders. Allemaal met hun eigen redenen om het moederland te verlaten en het geluk, vrij of onder dwang, elders te proberen. Met de mensen uit het midden oosten kon ik het goed vinden en ik ben ook blij dat ik ze dagelijks en van dichtbij heb meegemaakt zodat ik weet waar ik het over heb als ik weer eens in discussie op twitter verzeil. De stereotypen die ik over bevolkingsgroepen heb, lijken allemaal te kloppen gelukkig. Op vriend Grzegorz na dan.
Ik was ooit manager van een afdeling en na een korte ‘vrije leven’ periode van ‘eigen baasje’ in de horeca, moest ik in het begin behoorlijk wennen aan mijn nieuwe positie van ‘die oude jongste medewerker’. Fluiten, gebaren en toeschreeuwen om je aandacht te trekken is in de fabriek heel normaal maar voor mij, verwende snob, ‘quite a shock’. Het meeste ergelijke vond ik nog het op de Noorse manier, met het vingertje, gebaren dat je moet komen helpen. Lichamelijk van buiten was er aan mij niets te zien maar in gedachten riep ik dingen waarvan de inwoners van de wijk Kanaleneiland in Utrecht rode koontjes zouden krijgen. Maar alles went en ik ken mijn plaats. Daarnaast zag ik vanuit mijn ervaring nogal wat beperkingen bij de chefjes in de fabriek en dat vond ik soms pijnlijk. Deze mannen zijn uitstekende timmerlui maar totaal ongeschikt om leiding te geven. Het was continue ‘managing by walking around’ zonder plan en zeker zonder sociale vaardigheden. Ik kon daar zelf goed doorheen prikken maar de meeste werknemers niet en daardoor is er in de loop der jaren een cultuur van negativiteit ontstaan binnen het bedrijf. Over de cultuur binnen bedrijven kan ik een boek schrijven maar dat is misschien voor een ander moment. Vreemd genoeg staat Noorwegen erom bekend dat het één van de landen is waar de meest tevreden werknemers wonen. De enqueteurs konden de plaatsnaam Kyrksæterøra waarschijnlijk niet vinden op de kaart.
Kortom, bij de fabriek gewerkt van 2014 tot 2017 en ik heb het daar wel gezien. We zijn door toeval in dit gebied gekomen en we willen bewust ons leven verder sturen in een door ons gewenste richting. Dit gebied is dusdanig klein dat er maar enkele middelgrote bedrijven zijn. Mijn vrouw en ik hebben ontslag genomen en zullen juli 2017 verhuizen naar het zuiden van Noorwegen waar meer en meer variatie aan werk te vinden is.